Lucifer — Joost van den Vondel
Produced by Marc D'Hooghe LUCIFER Treurspel door JOOST VAN DEN VONDEL Met inleiding en aanteekeningen van L. SIMONS * * * * * PRAECIPITEMQUE IMMANI TURBINE ADEGIT [HIJ DEED HEM NEDERTUIMELEN IN EEN ONTZAGLIJKEN DWARRELWIND"-- VERGILIUS: AENEIS VI, 599] 'k Zag er ook Salmoneus, Aeols zoon, Vervaarlijk pijnigen, die, als een allersnoodste, Gods weerlicht, donderkloot en bliksemstraal nabootste. Dees liet in Griekenland, en midden door de stad Van Elis, daar hij trotsch op zijnen wagen zat, Zich met vier paarden door den drang der Grieken roeren En, zwaaiende eene toorts, braveeren met rumoeren De Goden in de lucht en stak ze naar hun kroon. Dees zinnelooze durft de koopren brug uit hoon Oprennen met zijn paard en weet met razen, ruischen En storm den bliksem en den donder na te kuischen Dat niemand ooit vermocht. Maar Gods almogendheid, Om fakkel, rookrig licht noch zulk een onbescheid Verlegen, schoot met kracht en uit de dikke wolken, _Dreef met een dwarrelwind_, ten spiegel aller volken, _Hem neder dat hij plofte_. Uit VONDELS vertaling van _Vergilius: Aeneis_, VIe Zang * * * * * VOORWOORD Vondel en zijn werk te verstaan is daarom voor ons, in dezen tijd, zoo moeilijk omdat de dichter zoo veelzijdig gerijpt was in een wereld van weten, denken en gevoelen, die ons niet alleen vreemd is in menigerlei opzicht, maar die we nauwelijks meer kennen. Schrijvers las hij en kerkschrijvers kende hij, en autoriteiten eerbiedigde hij, en gebeurtenissen beleefde hij, wier bestaan ons al te licht ontgaat als wij zoeken zijn arbeid te verklaren. Een wonderbaarlijke mengeling leefde in hem van middeleeuwsche opvattingen, klassieke leerstellingen en histories, en bijbelsch-kerkelijke legenden en dogma's, en dit alles, naar den weinig kritischen geest van zijn tijd en naar den tot eerbied gestemden eigen zin, die zoo sterk in hem leefde, aanvaard als niet of nauwelijks te betwijfelen waarheden. En daarbij hij levend in een eeuw van geweldige worstelingen: tusschen overgeleverd gezag en vrijheidsdrang; tusschen vorsten en volkeren; tusschen allerlei verscheidenheden van Christendom, en tusschen Christendom en Mohammedanisme. Vondels _Lucifer_ is dan ook geen louter "bijbelsch" en "Christelijk" werk. Zonder dat hem "de grijze fabelen van den Reuzenstrijd" of het verhaal van Salmoneus[1] of de fabel van Faeton door het hoofd gespeeld hadden, als symbolisch ware worstelingen tegen de oppermacht der wereld, had hij van de eenvoudige kerklegenden omtrent Lucifers verzet, afval en val geen aldus gefigureerd treurspel kunnen opbouwen, waarin een strijd tusschen de oproerige en de standvastige Engelen geteekend wordt, met wapens, zwaarden en in krijgsorde geschaarde legers. In de voorstelling van een wereld van Goden en halfgoden, waarin de almacht zelfs van den Oppermachtige beperkt was door de wereldorde, en die elkaar benijdden en bestreden, was een worsteling denkbaar als tusschen Zeus en Prometheus, tusschen Thor en Loki. In een hemel met een werkelijk almachtig God is de strijd vooruit beslist; een pogen om zich op Zijn plaats te zetten ondenkbaar, en een worstelen met wapengeweld iets wezenlijk onzinnigs. Maar geen treurspel, geen drama had kunnen ontstaan, indien Vondel zich aanstonds en geheel aan deze beschouwing had overgegeven. En ten andere was Vondel, hoezeer ook ingeleefd in de oude mythologieen en klassieke overleveringen, te zeer een Christen, om van de worsteling tusschen hoovaardij en Almacht een zoo sterk, zoo doorleefd, zoo gewijd en hooggehouden spel, als zijn _Lucifer_ geworden is, te maken, wanneer hij niet die worsteling geteekend had als begonnen tegenover zijn eigen, innigst vereerde Godheid en in verband met wat hem het opperst wereldgegeven was: de menschwording Gods in Christus. Zijn _Salmoneus_ en zijn _Faeton_ zijn vergelijkenderwijs blasse en bloedlooze werken gebleven, zonder aanwarming van zijn dieper devotioneel leven als in zijn _Lucifer_ uiting vond. * * * * * Is Vondel, behalve door de klassieke wereld en haar overleveringen, naast de Christelijke, ook nog beheerscht door de historische gebeurtenissen en door politieke bedoelingen? Men weet dat en Jonckbloet en Van Lennep het betoog geleverd hebben, dat _Lucifer_ zelfs heel en al niets was, of tenminste voornamelijk, dan een politieke allegorie op onzen opstand tegen Spanje. Ik heb aan deze betoogen nooit veel waarde gehecht, al was het allereerst omdat Jonckbloet--en Van Lennep, ondanks zijn groote Vondelvereering, toch eigenlijk ook--beiden veel te rationalistisch waren om Vondel te begrijpen. Jonckbloet, (ik heb als zijn leerling veel met hem omgegaan) was een eerlijk, humoristisch-satyriek, nuchter- scherpzichtig, kritisch mensch, maar de fijnere zieleplooibaarheid om in een andersdenker en -voeler, als Vondel geweest was, zich in te leven, ontbrak hem geheel; en zijn Vondelbeoordeeling is, zoo goed als die van Huet en Jorissen, niets dan een groote vergissing geweest. Rationalisten altemaal! voor wie het katholiek mysticisme iets griezeligs was, en die in zulk een complexen geest als die van Vondel ganschelijk niet konden komen. Er trouwens nooit eenige moeite voor deden, Vondel uit Vondel en zijn eigen bronnen te verklaren, maar hem maten met dogmatische kunstmaat van 18e-19e- eeuwsche "kunstphilosophie". Niet dat Vondel buiten staat zou geweest zijn, zich te bedienen van den allegorischen vorm; hij zelf erkent in zijn _Berecht_, dat hij de Hoovaardij en Nijdigheid allegorisch doet optreden in het gespan van den Leeuw en den Draak, voor Lucifers wagen gespannen. Hij stond trouwens nog dicht genoeg bij de middeleeuwen ervoor; en had niet Hooft in zijn vroeg-17e-eeuwsche treurspelen nog zeer sterk geallegoriseerd? Maar Vondel, hoewel allerminst een psychologisch-analyseerend of persoonlijk-verbizonderend dichter, heeft toch wel altijd zijn tot typen gegeneraliseerde figuren zuiver-menschelijk en levend willen houden. Dat hij, al dichtende het eeuwige spel van den eerzuchtigen opstandeling, daarbij alles zou hebben uitgesl