Camera Obscura — Nicolaas Beets «Hildebrand»
Camera Obscura INHOUD. VERSPREIDE STUKKEN VAN HILDEBRAND. De Gids , Jaarg. 1837, 1838, 1839. Proza en Poëzy, Verspr. Opst. en Verzen. Haarl, 1840. Souvenirs d'un Voyage à Paris , par J. Kneppelhout , Leyde 1839. Leeskabinet , Jaarg. 1841. De Nederlanden. Karakterschetsen enz. , ’s Gravenhage. Nederl. Maatsch. van Schoone Kunsten, 1862. Ook het volgende stukjen was voor de Nederlanden bestemd, en reeds in handen der redactie, toen het werk gestaakt werd, en de Maatscheppy van Schoone Kunsten ophield te bestaan. Het verschijint dus te dezer plaatse in druk, om het dozijn schetsjens volledig te maken. CAMERA OBSCURA. De schaduwen en schimmen van Nadenken, Herinnering, en Verbeelding vallen in de ziel als in eene Camera Obscura, en sommigen zoo treffend en aardig dat men lust gevoelt ze na te teekenen, en, met ze wat by te werken, op te kleuren, en te groepeeren, er kleine schilderyen van te maken, die dan ook al naar de groote Tentoonstellingen kunnen gezonden worden, waar een klein hoekjen goed genoeg voor hen is. Men moet er evenwel geen portretten op zoeken, want niet alleen staat er honderdmaal een neus van Herinnering op een gezicht van Verbeelding, maar ook is de uitdrukking des gelaats zoo weinig bepaald, dat een zelfde tronie dikwijls op wel vijftig onderscheiden menschen gelijkt. A NONYMUS in libro non edito . CAMERA OBSCURA VAN HILDEBRAND. Non lusisse pudet, sed non incidere ludum. HORATIUS. Zesde, herziene Druk. TE HAARLEM, BY DE ERVEN F. BOHN. 1864. VOORBERICHT VOOR DEZE UITGAVE. H et is nu juist Vijfentwintig jaren geleden, dat, in het najaar van 1839, de Camera Obscura hare intrede in de wareld deed. De pseudonyme Schrijver, toen zelf nog maar even vijfëntwintig jaren oud, ofschoon in een ander vak van letterkundige voortbrengselen, onder zijn eigenen naam, niet onvriendelijk door zijne landgenooten opgenomen, zag zijne stoutste verwachtingen overtroffen, als de buitengewoon hartelijke ontfangst van dit zijn werk binnen 't half jaar een tweede druk noodzakelijk maakte, welke dan ook in het voorjaar van 1840 het licht zag. Toen, elf jaren later, een derde druk noodig werd, had hy den moed de nieuwe uitgave met eenige tot hiertoe onuitgegevene opstellen zoodanig te vermeerderen, dat het boekdeel, hetwelk nu (1851) het licht zag, schoon kleiner van formaat, wat den inhoud betrof, meer dan verdubbeld was. Van dat oogenblik af, kwam er een nieuw leven in eene belangstelling, die van den beginne aan boven verwachting was geweest en nimmer was afgebroken. De Belgische pers vereerde het Hollandsche boek eerlang met een nadruk (1853); maar deze verhinderde niet dat reeds in het volgende jaar een vierde wettige uitgave in het Vaderland noodzakelijk was, onder welks omslag nu ook de tot nog toe hier en daar Verspreide stukken van H ILDEBRAND aan zijn hoofdwerk werden toegevoegd. Ook deze was echter in 1858 uitgeput, en maakte in alles plaats voor eene vijfde , — en zie hier nu de zesde, aan de vijfde gelijk, behalve dat eenige druk- en stijlfouten verbeterd, en waarschijnlijk ook weder eenige nieuwe gemaakt zijn, en dat de verstandige lieden, die tot deze zesde uitgave gewacht hebben zich het boekdeel aan te schaffen, daarby zonder vermeerdering van onkosten, nog dit Voorbericht winnen! Het is den Schrijver eene streelende gedachte, dat aan zijn werk, in deze zesde uitgave, het voorrecht mag te beurt vallen in handen te komen van een geslacht van landgenooten naauwelijks of nog niet geboren toen hy het voor het eerst aan het licht bracht; het volwassen, meerderjarig nageslacht van dat waaronder hy zelf is opgegroeid, waar hy voor schreef, en dat hy schetste; maar niet minder treft het hem zich daarby inderdaad te moeten afvragen of niet dit nieuw geslacht ruim zoo zeer behoefte zou hebben aan ophelderende aanteekeningen by zijn werk ge voegd als aan deze, min of meer historische, voorrede? Of maakt niet het vierde eener eeuw; en eener eeuw als de tegenwoordige; maakt niet het vierde eener eeuw een tijdperk uit, lang genoeg om een boek als het zijne hier en daar zonderling te doen voorkomen en op menige plaats onverstaanbaar te doen worden? De mannen, die met den Schrijver het jaar van den " Volksgeest " beleefd hebben, tot welks eer wy nu in de Hoofdstad een gedenkteeken zien pralen, dat — eenig in zijn soort mag worden genoemd, herinneren zich b. v. zonder twijfel de loffelijke poging nog wel, destijds van diezelfde hoofdstad uitgegaan, om in Nederland, tot schitterender triomf over Belgie, eene nationale kleederdracht te improvizeeren. Als zy hunne oogen sluiten, zien zy gewis nog weder voor hun geest oprijzen die nationale " tunica's , " waarop de eerste nommers van het nationale modeblad de nationale oogen deden verlieven! Maar wat stelt het tegenwoordige geslacht zich voor, wanneer het den Schrijver op bl. 19 van " nationale hoeden " ziet gewagen? Wat denkbeeld vormt het zich, in dit jaar 1864, van dameshoeden met luifels, bl. 247, van Rapponische krachten, bl 34, van een mathesis- examen in het latijn, of van eene vierde klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut, bl. 44? Hoe ondenkbaar moet in zijn oogen een Nederland zonder Spoorwegen, hoe buitensporig een Sint Nicolaaskoek met verguldsel voorkomen; hoe ongepast een karakteristiek der periodieke pers, als op bl. 247 beproefd is! Wat weet het van baleintjens om lange pijpen door te steken, bl. 62? van achtentwintigen, bl. 29? van veete tegen de Belgen, bl. 2? wat, van lantarenvulders bl. 240? En waar de namen van een Smallenburg, een Macquelyn, een Don Carlos genoemd worden, waar van de Industrielles van Bertolotto, bl. 277, de Avondbode , bl. 302, de woestijn van het Koegras, bl. 310, gewaagd wordt, zou daar voor zeer velen een kleine aanteekening wel overbodig zijn? Met dat al heeft de Schrijver nog niet kunnen besluiten by de tegenwoordige uitgave reeds in deze " dringende behoefte " te voorzien. Het blijve voor gehoopte latere edities bewaard, als de behoefte nog dringender, de notennood nog hooger gestegen zal zijn. Ook